De provincie Limburg gebruikt cookies om jouw surfervaring op deze website gemakkelijker te maken.

Strict noodzakelijke cookies
Deze cookies zijn strikt noodzakelijk om over de site te navigeren, of om te voorzien in door u aangevraagde faciliteiten.
Functionaliteitscookies
Deze cookies verbeteren van de functionaliteit van de website door het opslaan van uw voorkeuren.
Prestatiecookies
Deze cookies helpen om de prestaties van de website te verbeteren, waardoor een betere gebruikerservaring ontstaat.
Online surfgedrag gebaseerde reclame cookies
Deze cookies worden gebruikt om op de gebruiker toegesneden reclame en andere informatie te tonen.

Planschade (art. 2.6.1 t.e.m. 2.6.3 VCRO)

  1. Wat is planschade?
    Uit de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening (VCRO) volgt dat ruimtelijke uitvoeringsplannen erfdienstbaarheden van openbaar nut kunnen doen ontstaan en eigendomsbeperkingen kunnen inhouden, met inbegrip van een bouwverbod. Onder bepaalde voorwaarden kan een dergelijk bouw- of verkavelingsverbod aanleiding geven tot een beperkte schadevergoeding, nl. de planschadevergoeding. De planschadevergoeding is verschuldigd door de overheid die het ruimtelijk uitvoeringsplan heeft opgemaakt waardoor de planschade is ontstaan.

  2. Criteria voor de toepassing van planschade
    Er kan een planschadevergoeding worden toegekend:
    • op basis van een in werking getreden ruimtelijk uitvoeringsplan
    • wanneer een perceel niet meer in aanmerking komt voor een vergunning om te bouwen (conform art. 4.2.1 1° VCRO) of te verkavelen
    • terwijl het de dag voorafgaand aan de inwerkintreding van dat definitieve plan wel in aanmerking kwam voor een vergunning om te bouwen of te verkavelen.

    Voor de toepassing van planschadevergoeding moet bovendien aan de volgende vier criteria cumulatief voldaan worden op de dag voorafgaand aan de inwerkingtreding van het definitieve plan:
    • het perceel moet gelegen zijn aan een voldoende uitgeruste weg (conform art. 4.3.5 §1 VCRO). Dit criterium geldt evenwel niet voor de percelen waarop de bedrijfsgebouwen en de exploitantenwoning van een bestaand land- of tuinbouwbedrijf gelegen zijn.
    • het perceel moet stedenbouwkundig en bouwtechnisch voor bebouwing in aanmerking komen
    • het perceel moet gelegen zijn binnen een bebouwbare zone zoals bepaald in een plan van aanleg of ruimtelijk uitvoeringsplan
    • in de gebiedsbestemming “woongebied” komt enkel de eerste 50 meter vanaf de rooilijn in aanmerking voor planschade.
  3. Uitzonderingen waarbij geen planschade kan worden toegekend
    Er is geen planschadevergoeding verschuldigd in de volgende gevallen:
    • bij verbod te bouwen of te verkavelen als gevolg van een vastgestelde en in voorkomend geval, goedgekeurde onteigeningsbeslissing
    • bij verbod een grotere oppervlakte van een perceel te bebouwen dan het ruimtelijk uitvoeringsplan toelaat, of bij een verkaveling de door het plan bepaalde bebouwingsdichtheid te overschrijden
    • bij verbod de exploitatie van gevaarlijke, ongezonde en hinderlijke bedrijven voort te zetten na het verstrijken van de tijd waarvoor de omgevingsvergunning was verleend
    • bij verbod te bouwen op een stuk grond dat de minimumafmetingen, vastgesteld in een ruimtelijk uitvoeringsplan, niet heeft
    • bij verbod te bouwen of te verkavelen buiten de bebouwde kernen wegens de dwingende eisen van de verkeersveiligheid
    • bij verbod een stuk grond te verkavelen waarvoor een vroeger verleende omgevingsvergunning voor het verkavelen van gronden vervallen was op de datum van de inwerkingtreding van het ruimtelijk uitvoeringsplan of plan van aanleg dat vermeld verbod inhoudt
    • voor de gebouwen of vaststaande inrichtingen, vernield door een natuurramp, als het verbod van hun wederopbouw voortvloeit uit artikel 12 §3, eerste lid, van de wet van 12 juli 1976 betreffende het herstel van zekere schade veroorzaakt aan privégoederen door natuurrampen
    • bij weigering van een aanvraag om de functie van een gebouw te wijzigen
    • wanneer de overeenkomstig artikel 2.6.2 §1 berekende waardevermindering die voor schadeloosstelling in aanmerking komt, niet meer bedraagt dan twintig ten honderd van de waarde van het goed op het ogenblik van de verwerving, geactualiseerd tot op de dag van het ontstaan van het recht op vergoeding en verhoogd met de lasten en kosten
    • wanneer de schade in aanmerking komt voor een compensatie, vermeld in boek 6, titel 2 of titel 3, van het decreet van 27 maart 2009 betreffende het grond- en pandenbeleid.
    • als het perceel is opgenomen in een grondruilplan als vermeld in art. 2.1.65 van het decreet van 28 maart 2014 betreffende de landinrichting.
  4. Tijdstip waarop het recht op planschade ontstaat
    Het recht op planschadevergoeding ontstaat (= het zogenaamde "startfeit"):
    • ofwel bij een overdracht onder bezwarende titel van het goed
    • ofwel bij inbreng van het goed in een vennootschap
    • ofwel bij weigering van een vergunning om te bouwen of voor het verkavelen van gronden
    • ofwel bij het afgeven van een negatief stedenbouwkundig attest.
  5. De berekening van de planschadevergoeding
    De planschadevergoeding bedraagt 80 % van de waardevermindering. De waardevermindering die voor de planschadevergoeding in aanmerking komt, moet worden geraamd als het verschil tussen:
    • de waarde van het goed op het ogenblik van de verwerving, geactualiseerd tot op de dag van het ontstaan van het recht op schadevergoeding, verhoogd met de lasten en kosten, vóór de inwerkingtreding van het ruimtelijk uitvoeringsplan
      en
    • de waarde van het goed op het ogenblik van het ontstaan van het recht op schadevergoeding na de inwerkingtreding van het plan.
    De planschadevergoeding kan worden verminderd of geweigerd indien vaststaat dat de eiser in het gewest andere onroerende goederen bezit of aandelen in een vennootschap die als hoofddoel het beheer van onroerende goederen heeft die voordeel halen uit de inwerkingtreding van een ruimtelijk uitvoeringsplan of uit werken uitgevoerd op kosten van openbare besturen.

  6. De procedure tot het verkrijgen van planschade
    De vordering tot betaling van een planschadevergoeding behoort, ongeacht het bedrag ervan, tot de bevoegdheid van de rechtbanken van eerste aanleg.

  7. De verjaring van de vordering tot het verkrijgen van planschade
    De vordering tot het verkrijgen van een planschadevergoeding moet ingesteld worden binnen een termijn van één jaar na het startfeit. Het startfeit moet zich bovendien voordoen binnen een termijn van vijf jaar na de inwerkingtreding van het plan.

Contactgegevens dienst

Ruimtelijke Planning, Directie Omgeving
Universiteitslaan 1
3500 Hasselt

tel. 011 23 83 05

Openingsuren

Het Provinciehuis is elke werkdag geopend van 9 tot 12 uur en van 13.30 tot 17 uur.

Nieuws

woensdag, 20 november 2019
Conceptnota Beleidsplan Ruimte Limburg - Welk Limburg wil jij?
Het provinciebestuur van Limburg werkt aan een nieuwe ruimtelijke toekomstvisie voor Limburg: het Beleidsplan Ruimte Limburg (BRL). De provincie heeft een conceptnota opgemaakt. Deze conceptnota geeft de...
donderdag, 17 oktober 2019
Op vrijdag 11 oktober werd het captatieverbod op de onbevaarbare waterlopen in de provincie Limburg al opgeheven. Het captatie- en recreatieverbod dd. 06/09/19 op de bevaarbare waterlopen bleef wel...
donderdag, 17 oktober 2019
Op voorstel van Inge Moors (CD&V), gedeputeerde van Ruimtelijke Ordening, zette de provincieraad in de zitting van 16 oktober het licht op groen voor het voorlopige ontwerp van het ruimtelijk...